Vrijdagavond
Vandaag zijn E. en ik om ongeveer half 7 aangekomen bij de abdij. Ik vond het van tevoren wel een beetje spannend, maar dat bleek niet nodig te zijn. We kwamen binnen, ik voelde me thuis.
De gastenzuster ontvangt ons hartelijk. E. met herkenning, mij met een nieuwsgierige blik. We (of eigenlijk: ik) krijgen nog te eten in de refter, terwijl de gasten eigenlijk al aan het afruimen zijn. Hierna leidt E. me rond in het gebouw en vertelt ze wat de gang van zaken is. Dat vind ik prettig, zo hoef ik nergens over in te zitten.
Om half 8 beginnen de completen. Als gasten zitten we aan de zijkant van de kerk. De zusters schuifelen naar binnen. Ik ben direct onder de indruk. Ik probeer tot me door te laten dringen dat deze vrouwen hier in complete afzondering leven. Dat ze hebben gekozen voor een leven binnen muren, binnen zichzelf, in gehoorzaamheid, celibaat en soberheid.
Ze zingen prachtig. Ik kan mijn gedachten nog niet zo goed bij de tekst houden, eerst moet ik alles bekijken. Als ik een zuster op een stemfluitje (het lijkt net een mondharmonica) de toon aan zie geven, moet ik wel even lachen.
Ineens gaat het licht uit en wordt het beeld van Maria schuin tegenover ons zacht verlicht. Daar hoort “Salve Regina” bij. De melodie, de liefheid en zachtheid van het lied, ontroert me. Ik denk aan Maria, wat ik vaker doe sinds ik over haar gehoord heb. Maria... moeder, de vriendelijkste en meest toegewijde die er is. Ik denk bij haar aan een bloem, een witte bloem (ik weet de naam niet) waar je heel lang naar wilt kijken. Teer, mooi, zacht, volmaakt. De moeder van Jezus... hoe kun je niet van haar houden?
Ik verbaas me er nu over dat ik dit schrijf.
In het gebed dank ik God dat ik hier mag zijn. Vanaf minuut 1 voel ik herkenning en rust. Is het echt waar, bestaat dit? Hoe is het mogelijk dat ik hier ben, dat het zo gelopen is? Wonderlijk.
Na de completen worden we gelijk doorgestuurd naar een kamertje waar we een dvd over de abdij te zien krijgen. Het begint met de tekst: “voorbij elk waarom”. Ik denk: dit kan niet waar zijn. Dit herken ik, deze taal spreek ik. Tijdens de rest van de film blijf ik herkenning voelen en ontroering. Iets in mij, wat ik zelf niet eens goed ken, wordt verwoord en verbeeld in deze film. Godsverlangen? Zoeken, ook al zie ik nog geen licht aan de horizon. Waarom?
Die vraag kwam bij het gebed in de kerk ook in me op toen ik de zusters zag. Maar er is geen waarom, geen zin. Er is geen ander doel dan een leven dat klaar is voor de dood. Want in onze dood is Christus, de verrijzenis. Niet in meer of groter, maar in het niets, niet-bestaan. Bestaan wij niet meer, ontmoeten we God uiteindelijk, eindelijk.
Ik denk weer even terug aan de completen, waar ik me (logischerwijs) een indringer voelde, al werden we zo hartelijk ontvangen. Ik voel me lomp en “vuil” in vergelijking met de zusters. Zij, die van hetzelfde soort zijn (gewoon mens) maar zich zo anders gedragen. Er lijkt weinig te gebeuren, er wordt weinig gesproken. Maar er heerst zo’n intieme sfeer. De mens op zijn kwetsbaarst, op zijn mooist.
Ik voel me doorzien. Dit, wat hier is, raakt me en vult een gat in me op. Ik hoef niet verder te zoeken, wat een mens nodig heeft is hier. In een sobere kerk, het woord en de stilte en voorin het glas-achtige tabernakel. E. heeft verteld dat als er licht op schijnt, het gebroken wordt in alle kleuren van de regenboog. Dat zou ik willen zien. Christus, het Licht der wereld. Alles in allen. Wat moet je daar verder nog over zeggen?
Ik begin het misschien te begrijpen, dit geloof. Niet het beredeneren, niet het evangelische geschreeuw, maar de ervaring. Of de niet-ervaring. Het zoeken van Gods aangezicht. Eenvoudig, vaak moeizaam en eindeloos. Maar we kunnen niet anders. We hebben een glimp opgevangen, nu moeten we verder, door de lange nacht naar huis.
By night, we hasten in darkness,
to search for the living water,
only our thirst leads us onwards,
only our thirst leads us onwards.
(Taizé)
Heer, niet verheft zich mijn hart,
mijn ogen vermeten zich niet
Ik begeef mij niet in wat te groot is,
te wonderbaarlijk voor mij
Neen, bedaren liet ik, verstillen mijn ziel
als een kind bij zijn moeder geborgen;
als dat kind zo voel ik mijn ziel
Dat Israel wachte de Heer,
van thans tot in eeuwigheid
(Psalm 131)
Zaterdagochtend
Vanochtend om 6.15 uur ging het alarm van mijn telefoon. Ik kon best makkelijk wakker worden, vannacht had ik goed geslapen. Hoewel het wel lang duurde voor ik sliep, want normaal ga ik nooit zo vroeg (22:15 uur) slapen. Door de schemer in de abdij word je wel eerder slaperig dan normaal.
Om 6.45 uur beginnen de Lauden en aansluitend de Eucharistie. Voor mijn idee duurt het best lang. E. heeft verteld dat we bij het Onze Vader (Met geheven handen, evangelischen, komt dat zien! Jullie zijn de enigen niet!) met de zusters en gasten in een kring gaan staan. Dan komt de priester langs met de hosties. Hoewel het aan mijn eigen geweten is, zou ik E. een plezier doen door de communie te weigeren. Het stond voor mijzelf natuurlijk van tevoren al vast dat ik niet mee zou doen, dus zo gaat het ook.
Ik merk dat de andere gasten de gewoonte om een kring te maken niet kennen, dus E. moet hen even opjutten. Ze nemen echter allemaal (inc. PKN-groep) de hostie aan. Ik vind het “jammer” dat ik moet weigeren. De sfeer en het feit dat iedereen mee kan doen, trekken wel. En ik zou het geloven. Na het uitdelen wordt het Agnus Dei gezongen; schitterend en ontroerend.
Na de viering vraagt E. of ik bij de tertss mee wil zingen in het koor. Dat wil ik natuurlijk wel, dus gaan we even naar de kerk waar E. een en ander uitlegt.
Dan is het etenstijd. We eten in stilte, hoewel de andere gasten (allemaal vrouwen tussen de 40 en 60) wel veel fluisteren. Er klinkt standaard romantische muziek op de achtergrond: “De Moldau” van Smetana, Dvorak (denk ik), etc. Dat maakt me wel vrolijk, het is zelfs een beetje lachwekkend.
Bij het afruimen kan ik niet zoveel doen, helaas. De andere gasten leggen weinig uit.
Zaterdagmiddag
Na het eten gaan E. en ik naar onze kamers. Ik besluit naar het bibliotheekje te gaan. Ik heb expres geen boeken meegenomen, omdat ik iets passends wil lezen. Ik leen twee boeken: een over Bernardus van Clairvaux en een over beschouwend gebed. Als ik even gelezen heb, is het al tijd voor de terts.
Bij de terts gaan we bij het koor zitten. Er zitten nog drie gasten, die volgens mij alleen aanwezig zijn bij de gebeden en niet logeren. Ik voel me weer afwijkend omdat ik niet buig voor het tabernakel en het kruisteken niet doe. Overigens zou ik er geen probleem mee hebben het wél te doen, alleen wil ik niet meedoen “om het meedoen”, of ondoordachte beslissingen maken. Ik vind het wel een beetje moeilijk, het trekt me zo. Dit kan ik geloven, dit lijkt ergens op en is zó serieus en oprecht. Maar ik ken mezelf en weet hoe snel ik onder de indruk ben en probeer een evenwicht te vinden tussen nuchterheid en “enthousiasme.”
Ik zing zacht mee want ik ken de melodieën nog niet, maar E. zegt achteraf dat dat niet te merken was. Gelukkig. Ik zou de zusters niet willen ergeren.
Na de terts gaan we weer even naar de bibliotheek en raadt E. me De Regel van Benedictus aan. Ook neem ik nog een boek met teksten van B. Van Clairvaux mee. E. en ik raken weer aan de praat. Ik vertel wat ik van dit bezoek vind en hoe ik denk over mijn protestantse achtergrond vs. mijn katholieke “gevoel”. Ze raadt me verder aan G. een dag mee nemen en misschien samen de getijden te bidden. Ik ben zeker van plan hier vaker te komen en G. erbij te betrekken als hij dat wil (hebben we het al over gehad). We spreken af na de noon even te wandelen.
Nu heb ik gelezen in De regel en dit verslag geschreven. We gaan zo weer eten.
Zaterdagavond
Pfoe... aan het eind van een voor mij geestelijk vermoeiende dag.
Na het middagmaal (erg lekker!) en de noon hebben E. en ik een heel stuk gewandeld en veel gepraat over het huwelijk, seksualiteit, vriendschap en het kloosterleven. Leuk en leerzaam, maar ook ernstig.
Daarna heb ik in het winkeltje 3 kaarten voor mezelf en citroen-zeep (dat maken ze daar) voor mijn moeder gekocht.
Bij de vespers begint er een soort angst of heimwee toe te slaan. Een gevoel wat me heel bekend voorkomt, alleen nu zo direct en overheersend. Ik realiseer me steeds meer hoe vergankelijk en zwak ik ben/we zijn. Als gras, zoals Petrus geloof ik zegt. Wat een moeizame en eenzame strijd het kloosterleven moet zijn. Wat ik allemaal aanklungel. De afstand tussen God en mij. Ik voel me gevangen in mezelf, in een doorrazende trein richting dood.
Wat moet ik in godsnaam doen? Hoe kom ik hieruit? Hoe kom ik bij God? Ik, met mijn zonden, onwil, ontrouw... ik kan het niet! Ik heb de neiging afleiding te zoeken. Maar wat schiet ik daarmee op? Dit is de realiteit. Ik kan me absoluut niet meer concentreren, voel me misplaatst en als ik op mijn kamer ben word ik ontzettend verdrietig. God is onbereikbaar voor mij en ik voel me écht alleen. Sterker nog: ik ben het.
Bij het avondmaal word ik iets rustiger.
Daarna gaan we betalen bij de gastenzuster.
Na een kwartier lezen beginnen de completen. Ik ga niet meer bij het koor zitten maar achter de andere gasten. Dan wordt Psalm 91 gezongen... vreemd genoeg zo toepasselijk. En voor me zie ik Jezus Christus aan het kruis hangen en weet ik toch: Hij is niet ver. Hij is met ons begaan. Heilig genoeg worden is een strijd die ik niet kan winnen, maar zijn genade hoef ik godzijdank niet te verdienen. Hij kijkt om en komt me tegemoet. Hoe weet ik niet precies, ik begrijp het wel en niet tegelijk. Maar toch.
Van het halve verhaal, mijn zonde, word ik wanhopig en letterlijk doodsbang. Ik realiseer het me sterker dan ooit: ik verlies. Maar dan God, die líefdevol is. Met Hem kan ik misschien toch iets goeds doen en daarvoor wil ik wel mijn best doen. Of wil ik dat alleen maar heel graag?
Het is 20.30 uur en ik ben moe. Ik mis G. Morgen nachtwake: 4:00 uur opstaan.
Toevoeging (ik weet niet meer wanneer ik dit opgeschreven heb):
Ik vind dit erg confronterend en diepgaand.
Naar het wezen van je bestaan moeten kijken.
In een spiegel kijken en dan zien wie je echt bent...
Je realiseren dat je hulpeloos bent, echt niets.
Ik wil het niet weten, maar het is waar.
‘God, help!’ Wat moet ik anders zeggen?
Hij helpt, Hij is nooit ver.
Maar hoe lang blijft dit doorgaan?
Blijf toch geduld hebben, alstublieft...
Zondagochtend
Om 4 uur de wekker... dat viel mee. Nu, om 8:45 uur, ben ik wat slaperig. We hebben net gegeten en afgewassen.
Om 4:30 uur was de Nachtwake. Daarna de Lauden. Ik begin nu wat “feeling” te krijgen voor het zingen van de (lange) Psalmen en vind het ook steeds mooier. Mooie lezingen over Lazarus.
Na de wake hebben E. en ik een boterham gegeten en weer veel gepraat.
Om 7:30 uur was het tijd voor de Lauden. Er werd bij een hymne tweestemmig gezongen... wat klonk dat ineens mooi.
Vandaag voel ik me verder heel rustig en positief.
Nu ga ik weer lezen.